4 november 2026

Hackers zetten diepvriezers uit. Maar het echte probleem is veel groter.

Een cyberaanval met heel tastbare gevolgen

In de nacht van 1 op 2 november 2026 gebeurde iets wat op het eerste gezicht bijna ongeloofwaardig klinkt. Hackers slaagden erin om vanop afstand de koel- en diepvriesinstallaties van tientallen supermarkten te manipuleren. Onder meer Delhaize, Carrefour, Spar en Intermarché werden getroffen. Ook in andere Europese landen, waaronder Nederland, Zweden en Ierland, deden zich gelijkaardige incidenten voor.

De gevolgen waren bijzonder concreet. Koelinstallaties werden in sommige gevallen in ontdooimodus gezet, temperaturen liepen op en grote hoeveelheden voedingswaren moesten worden vernietigd. Bij individuele winkels liep de schade op tot tienduizenden euro's. En dat zonder dat de hackers ooit fysiek een voet in die winkels hadden gezet.

Nog verontrustender is dat dit geen volledig onverwachte aanval was. In oktober waren honderden supermarkten in Frankrijk al getroffen door vergelijkbare incidenten. Het Franse nationale cybersecuritycentrum CERT-FR had op 12 oktober een officiële waarschuwing gepubliceerd over kwetsbare systemen van onder meer Danfoss en Copeland, twee leveranciers van technologie waarmee koelinstallaties op afstand beheerd kunnen worden.

De waarschuwing was duidelijk: stel de beheerinterfaces van dergelijke installaties niet rechtstreeks bloot aan het publieke internet.

Toch bleven tal van toestellen bereikbaar. Enkele weken later waren de gevolgen ook bij ons zichtbaar.

De precieze aanvalsmethode is nog niet voor alle getroffen installaties bevestigd. Wel is duidelijk dat publiek bereikbare beheerinterfaces, verouderde software en onvoldoende beveiligde toegangsmechanismen een belangrijk risico vormen.

Maar waarom hangen dergelijke toestellen eigenlijk aan het internet? En vooral: waarom blijven bedrijven daarvoor kiezen als de risico's al zo lang bekend zijn?

Waarom industriële machines überhaupt verbonden worden

Om dat te begrijpen, moeten we eerst kijken naar de manier waarop moderne industriële installaties worden beheerd.

Een diepvriesinstallatie in een supermarkt is vandaag veel meer dan een machine die producten koud houdt. Ze bevat elektronica, sensoren, controllers en beheersoftware die voortdurend de werking opvolgen. Temperatuur, energieverbruik, storingen en andere parameters kunnen vanop afstand worden gecontroleerd.

Dat biedt enorme voordelen. Een onderhoudsfirma kan vaststellen dat een compressor niet optimaal werkt voordat die daadwerkelijk uitvalt. Een technicus kan instellingen aanpassen zonder naar de winkel te rijden. Een leverancier kan honderden of duizenden installaties centraal opvolgen en preventief onderhoud uitvoeren.

En dat geldt uiteraard niet alleen voor diepvriezers.

Denk aan airco-installaties, verwarmingssystemen, vendingautomaten, industriële productiemachines, technische installaties in gebouwen of allerlei andere toestellen die verspreid staan over verschillende locaties.

Steeds vaker willen leveranciers en onderhoudsbedrijven rechtstreeks met die machines kunnen communiceren.

Dat is een logische evolutie. Alleen ontstaat er een probleem zodra men die bereikbaarheid organiseert door de machines, of hun beheerinterfaces, gewoon toegankelijk te maken via het publieke internet.

Een machine aan het internet hangen is geen onschuldige beslissing

Wanneer een industriële controller rechtstreeks via het internet bereikbaar is, ontstaat er een potentieel toegangspunt voor iedereen die naar kwetsbare systemen zoekt.

Daarvoor hoeft een hacker niet eens te weten in welke supermarkt een bepaalde diepvries staat. Er bestaan gespecialiseerde zoekmachines die voortdurend het internet in kaart brengen en registreren welke toestellen en diensten publiek bereikbaar zijn.

Een slecht beveiligde beheerinterface kan daardoor relatief eenvoudig worden gevonden. Als die interface vervolgens gebruikmaakt van een standaardwachtwoord, verouderde firmware of een bekende kwetsbaarheid, kan een aanvaller proberen de controle over te nemen.

En bij industriële installaties heeft dat een heel andere betekenis dan bij een gewone computer.

Wie toegang krijgt tot de besturing van een diepvriezer, kan mogelijk temperatuurinstellingen wijzigen of ontdooicycli activeren. Wie een verwarmingsinstallatie manipuleert, kan een gebouw onbruikbaar maken. Bij een productiemachine kunnen verkeerde parameters leiden tot productieverlies of schade aan apparatuur. In bepaalde industriële omgevingen kunnen ongeoorloofde ingrepen zelfs veiligheidsrisico's veroorzaken.

Het probleem is dus niet alleen cybersecurity in de klassieke betekenis van het woord. Het raakt ook aan fysieke veiligheid, bedrijfscontinuïteit en de betrouwbaarheid van onze infrastructuur.

Bovendien zijn industriële installaties vaak jarenlang in gebruik. Waar een laptop regelmatig wordt vervangen en automatisch beveiligingsupdates ontvangt, kan een industriële controller tien of vijftien jaar blijven draaien. Software-updates zijn niet altijd eenvoudig, omdat een herstart of wijziging de werking van een installatie kan onderbreken. Soms wordt bepaalde apparatuur zelfs niet langer door de fabrikant ondersteund.

Het is dan ook bijzonder riskant om de beveiliging volledig te laten afhangen van de software die op zo'n toestel draait.

De meest fundamentele vraag is eigenlijk veel eenvoudiger: waarom zou zo'n toestel rechtstreeks vanaf het publieke internet bereikbaar moeten zijn?

Waarom gebruiken we dan niet gewoon VPN's?

Wanneer dit soort incidenten in het nieuws komt, wordt vaak dezelfde oplossing naar voren geschoven: gebruik een VPN.

Dat is technisch gezien een volkomen terecht advies. Een goed geconfigureerde VPN kan een beveiligde verbinding tot stand brengen tussen een onderhoudspartij en een installatie, zonder dat de beheerinterface van die installatie publiek bereikbaar is.

Het probleem is alleen dat wat op papier eenvoudig lijkt, in de praktijk bijzonder complex kan worden.

Stel je een supermarkt voor waarin verschillende technische installaties aanwezig zijn. De diepvriezers worden onderhouden door leverancier A, de airconditioning door leverancier B, het gebouwbeheersysteem door leverancier C en andere machines door nog eens verschillende gespecialiseerde bedrijven.

Al die leveranciers willen hun eigen apparatuur op afstand kunnen bereiken.

Bij een klassieke site-to-site-VPN moet daarvoor doorgaans een verbinding worden opgezet tussen de netwerkinfrastructuur van de supermarkt en die van de betreffende leverancier. Dat betekent dat er instellingen nodig zijn op routers, firewalls en andere netwerkcomponenten.

Alleen werken die partijen zelden met dezelfde apparatuur. De ene gebruikt een firewall van Fortinet, de andere van Cisco, Sophos of een ander merk. Hoewel VPN-standaarden interoperabiliteit mogelijk maken, verschillen de configuratie, mogelijkheden en beheermethodes van die systemen.

Er moeten afspraken worden gemaakt over IP-adressen, routes, encryptie, authenticatie, toegangsrechten en firewallregels. Soms overlappen de lokale IP-adresreeksen van verschillende klanten. Soms moet een netwerkbeheerder bijkomende uitzonderingen voorzien. En wanneer iets niet werkt, moeten technici van verschillende organisaties samen onderzoeken waar het probleem zit.

Daar komt nog een bijkomende moeilijkheid bij: wie is eigenlijk verantwoordelijk?

De leverancier van de diepvriesinstallatie heeft meestal geen controle over het lokale netwerk van de supermarkt. Dat wordt beheerd door de IT-afdeling van de winkelketen of door een externe IT-partner.

Als er iets verandert aan dat lokale netwerk, kan een bestaande VPN-verbinding plots niet meer werken. De leverancier van de installatie moet dan contact opnemen met de lokale netwerkbeheerder, die op zijn beurt mogelijk een andere IT-partner moet inschakelen.

Wie ooit met dergelijke omgevingen heeft gewerkt, weet hoe snel daarbij een situatie ontstaat waarin verschillende partijen naar elkaar beginnen te wijzen.

En dit alles moet niet voor één machine gebeuren, maar mogelijk voor duizenden toestellen op honderden of duizenden locaties.

Een kluwen aan verbindingen dat niemand nog overziet

Dat is volgens mij een van de meest onderschatte problemen bij industriële connectiviteit.

Een individuele VPN is helemaal niet zo moeilijk. Maar wanneer je honderden klanten hebt, met verschillende netwerken, firewalls, beveiligingsregels en lokale IT-partners, wordt het beheer een uitdaging op zich.

Iedere nieuwe installatie kan bijkomende configuratie vereisen. Iedere wijziging aan een lokaal netwerk kan gevolgen hebben voor de bereikbaarheid. Iedere storing vraagt mogelijk overleg tussen verschillende partijen.

En bovendien is er nog de beveiliging zelf. Want ook een VPN moet correct onderhouden worden. Certificaten en authenticatiegegevens moeten beheerd worden, toegangsrechten moeten worden ingetrokken wanneer ze niet langer nodig zijn, en de VPN-infrastructuur moet regelmatig worden bijgewerkt.

Een VPN is dus geen magisch schild dat alle beveiligingsproblemen oplost. Het is een technologie die, mits correct toegepast, uitstekend kan werken, maar die ook een eigen beheerlast en complexiteit met zich meebrengt.

Er bestaan uiteraard moderne, centraal beheerde VPN- en zero-trustoplossingen die een deel van die moeilijkheden wegnemen. Maar bij industriële installaties die verspreid staan over locaties waar je als leverancier nauwelijks controle hebt over het netwerk, blijft de afhankelijkheid van die lokale infrastructuur vaak een belangrijk struikelblok.

Dat leidt tot een vervelende realiteit: bedrijven weten dat een directe internetverbinding niet ideaal is, maar kiezen er soms toch voor omdat de veiligere alternatieven te ingewikkeld, te duur of te moeilijk te onderhouden lijken.

En net daar zit de fundamentele denkfout.

Want waarom zouden we de verbinding met een machine überhaupt afhankelijk maken van het netwerk van de klant?

Wat als de machine helemaal geen toegang tot het lokale netwerk nodig heeft?

Bij DMVH hebben we ons die vraag enkele jaren geleden al gesteld.

We wilden industriële machines wereldwijd bereikbaar maken voor hun leveranciers en onderhoudspartners, maar zonder de ingewikkelde configuratie van klassieke VPN-verbindingen en zonder afhankelijk te zijn van de lokale IT-infrastructuur van de klant.

Daaruit is ons Linx-platform ontstaan.

De basisgedachte is eenvoudig: in plaats van een machine via het lokale netwerk met een centrale beheersomgeving te verbinden, voorzien we een eigen communicatieoplossing die volledig onafhankelijk werkt.

Daarvoor maken we gebruik van een private APN, of Access Point Name.

Een APN bepaalt hoe een toestel via een mobiel netwerk toegang krijgt tot een datanetwerk. Bij een klassieke mobiele internetverbinding krijgt een toestel via het mobiele netwerk toegang tot het publieke internet. Met een private APN kan het mobiele dataverkeer daarentegen naar een afgeschermde private netwerkomgeving worden geleid.

Onze toestellen communiceren dus wel via mobiele netwerkinfrastructuur, maar hebben daarvoor geen toegang tot het publieke internet nodig.

Dat is een essentieel verschil.

De installatie hoeft niet op het lokale computernetwerk van de supermarkt, de fabriek of het bedrijfsgebouw te worden aangesloten. Er moeten geen poorten op de lokale firewall worden geopend en er zijn geen complexe VPN-afspraken nodig tussen verschillende IT-partijen.

De leverancier plaatst onze communicatiemodule bij de machine, waarna die zichzelf automatisch aanmeldt op ons platform.

De verbinding wordt volledig buiten het lokale bedrijfsnetwerk opgebouwd en het toestel is niet rechtstreeks bereikbaar vanaf het publieke internet.

Op die manier halen we een belangrijke categorie beveiligings- en beheerproblemen bij de bron weg.

Self-deploying: aansluiten en klaar

Een van de grootste uitdagingen bij industriële connectiviteit is niet alleen de technologie zelf, maar ook de installatie ervan.

Wanneer een technicus een diepvriesinstallatie, vendingautomaat of industriële machine plaatst, wil je niet dat die eerst contact moet opnemen met een IT-afdeling om IP-adressen, firewallregels of VPN-instellingen te bespreken.

Die technicus moet zijn machine kunnen installeren en verder kunnen met zijn werk.

Daarom hebben we onze toestellen zo ontwikkeld dat ze zichzelf automatisch configureren en aanmelden zodra ze worden aangesloten en mobiele dekking beschikbaar is.

Het Linx-platform herkent de toestellen, registreert ze centraal en maakt ze beschikbaar voor de beheersoftware en bevoegde onderhoudspartijen.

Ook het verdere onderhoud van de communicatiemodules wordt centraal aangestuurd. Updates, monitoring en de beveiliging van het verbindingssysteem zijn ingebouwd, zodat de leverancier niet voor iedere individuele installatie opnieuw de technische infrastructuur moet beheren.

Dat levert niet alleen een groot gebruiksgemak op, maar maakt ook de uitrol op grote schaal mogelijk.

Bij een van onze klanten wordt deze technologie al gebruikt voor een wereldwijd netwerk van tienduizenden installaties. Onze communicatiemodules worden in de machines ingebouwd en zorgen ervoor dat de beheersoftware van de klant die toestellen kan bereiken, zonder dat voor iedere locatie een afzonderlijk netwerkproject nodig is.

Eén centraal platform voor alle machines

De verbinding zelf is natuurlijk maar een deel van het verhaal.

Wanneer je duizenden machines verspreid over de wereld beheert, wil je ook weten wat er met die verbindingen gebeurt.

Daarom vormt het centrale beheersplatform een essentieel onderdeel van onze oplossing.

Via dat platform kan worden opgevolgd welke toestellen geregistreerd zijn, welke online zijn en welke niet bereikbaar zijn. Verbindingen kunnen centraal worden beheerd en de leverancier hoeft niet voor iedere machine een andere netwerkconfiguratie te kennen.

Dat maakt de omgeving veel overzichtelijker dan een verzameling afzonderlijke verbindingen met verschillende klantennetwerken.

Stel dat een leverancier van koelinstallaties vijfduizend machines heeft staan, verspreid over honderden supermarkten in verschillende landen.

In plaats van vijfduizend verschillende netwerkconfiguraties te moeten onderhouden, kan hij die machines vanuit één centrale omgeving opvolgen. Wanneer een technicus toegang nodig heeft tot een specifieke installatie, verloopt dat via dezelfde beheerde infrastructuur.

Voor de bestaande beheersoftware kan die verbinding bovendien transparant functioneren. De software hoeft niet voor iedere klant een volledig andere manier van communiceren te ondersteunen.

Dat vermindert de technische complexiteit aanzienlijk en maakt zowel dagelijkse monitoring als interventies op afstand veel eenvoudiger.

Niet alleen monitoring, maar volwaardige tweewegcommunicatie

Een ander belangrijk onderscheid is dat ons platform niet beperkt is tot het verzamelen van enkele meetwaarden.

Veel IoT-oplossingen zijn ontworpen om af en toe een temperatuur, statusmelding of andere beperkte hoeveelheid gegevens door te sturen.

Dat kan nuttig zijn voor eenvoudige monitoring, maar is onvoldoende wanneer een onderhoudstechnicus daadwerkelijk met een industriële installatie moet kunnen werken.

Wij hebben onze oplossing daarom ontwikkeld voor volwaardige tweewegcommunicatie.

De machine kan gegevens naar de beheersomgeving sturen, maar de bevoegde onderhoudspartner kan ook actief met de machine communiceren. Instellingen uitlezen of aanpassen, diagnoses uitvoeren, configuraties beheren en andere onderhoudstaken kunnen via dezelfde verbinding verlopen, voor zover de aangesloten machine die functies ondersteunt.

Daarnaast ondersteunt onze architectuur ook communicatie met hoge bandbreedte.

Dat is belangrijk omdat moderne industriële installaties steeds meer gegevens uitwisselen. Het gaat niet langer uitsluitend over kleine sensormetingen. Ook uitgebreidere diagnostische gegevens, configuratiebestanden, software-updates en andere datastromen kunnen noodzakelijk zijn.

De feitelijke snelheid blijft uiteraard afhankelijk van de beschikbare mobiele dekking, capaciteit en de gebruikte apparatuur. Maar het platform is niet beperkt tot de kleine berichten die typisch zijn voor sommige andere IoT-technologieën.

Voor de leverancier betekent dit dat hij zijn machines op afstand kan beheren alsof ze via een gecontroleerde private verbinding binnen zijn bereik staan, zonder dat hij daarvoor afhankelijk is van de netwerkinfrastructuur van iedere afzonderlijke klant.

Een private APN is geen wondermiddel, maar wel een fundamenteel andere aanpak

Uiteraard betekent het gebruik van een private APN niet dat alle cybersecurityrisico's plots verdwijnen.

Ook binnen een privaat netwerk moeten toestellen, gebruikers en beheersoftware correct worden beveiligd. Authenticatie, toegangsrechten, software-updates, monitoring en een goede scheiding tussen verschillende klanten blijven essentieel.

Als iemand ongeoorloofd toegang krijgt tot een centraal beheersplatform, kan ook dat ernstige gevolgen hebben. En een kwetsbaarheid in de software van een industriële controller verdwijnt niet automatisch omdat die controller niet langer vanaf het internet bereikbaar is.

Het grote verschil is dat zo'n kwetsbaarheid niet zomaar meer van overal op het publieke internet kan worden benaderd.

We nemen dus een bijzonder belangrijke aanvalsmogelijkheid weg, terwijl we de praktische voordelen van externe connectiviteit behouden.

Dat is precies waarom wij zoveel aandacht besteden aan de combinatie van een afgeschermde netwerkarchitectuur, centraal beheer, monitoring en ingebouwde beveiligingsmaatregelen.

Cybersecurity is immers niet één technologie of één instelling. Het is een geheel van keuzes die samen bepalen hoe veilig en beheersbaar een systeem werkelijk is.

Waarom wachten bedrijven dan tot het fout loopt?

En daarmee komen we misschien bij het meest frustrerende aspect van dit verhaal.

Wij hebben deze oplossing al verschillende jaren en merken dat veel bedrijven onmiddellijk de voordelen begrijpen wanneer we ze uitleggen.

Geen ingewikkelde VPN-configuraties. Geen afhankelijkheid van lokale netwerkbeheerders. Geen directe blootstelling van machines aan het publieke internet. Wel centraal beheer, automatische installatie, monitoring en volwaardige communicatie in beide richtingen.

Dat klinkt voor veel leveranciers aantrekkelijk.

Tot het gesprek bij de prijs komt.

Want een eigen communicatiemodule, mobiele connectiviteit, een beheersplatform en het onderhoud van die infrastructuur brengen uiteraard een kostprijs met zich mee.

En zolang alles goed werkt, wordt die meerprijs vaak vooral gezien als een bijkomende uitgave.

Dat is begrijpelijk vanuit een klassieke aankooplogica, maar bijzonder kortzichtig wanneer je rekening houdt met de mogelijke gevolgen van een incident.

Een supermarkt die tienduizenden euro's aan voedingswaren moet vernietigen, een fabriek waarvan de productie stilvalt of een leverancier die plots honderden technici moet uitsturen om installaties opnieuw onder controle te krijgen, kijkt ongetwijfeld anders naar de waarde van preventieve beveiliging.

Bovendien gaat het niet alleen over de schade van een cyberaanval. Ook de dagelijkse kosten van netwerkbeheer, ondersteuning, configuratiewijzigingen en interventies moeten worden meegerekend.

Een oplossing die bij de installatie iets meer kost, kan over de volledige levensduur aanzienlijk eenvoudiger te beheren zijn.

Industriële connectiviteit verdient een andere aanpak

De aanvallen op de koelinstallaties van Europese supermarkten zijn volgens mij dan ook geen geïsoleerd incident. Ze tonen aan dat we bij industriële connectiviteit nog te vaak vertrekken vanuit een verkeerde vraag.

We vragen ons af hoe we een machine via het internet bereikbaar kunnen maken en hoe we die verbinding vervolgens zo goed mogelijk kunnen beveiligen.

Maar misschien moeten we beginnen met een andere vraag: waarom zou die machine überhaupt aan het publieke internet gekoppeld moeten worden?

Het is perfect mogelijk om industriële installaties vanop afstand te monitoren, configureren en onderhouden zonder ze publiek bereikbaar te maken en zonder afhankelijk te zijn van de lokale IT-infrastructuur van iedere klant.

Die technologie bestaat vandaag. Ze wordt ook al jarenlang in de praktijk toegepast.

Bij DMVH hebben we met Linx precies daarvoor een oplossing ontwikkeld: een centraal beheerd platform voor industriële connectiviteit, met self-deploying toestellen, private mobiele verbindingen, ingebouwde monitoring, beveiliging en snelle tweewegcommunicatie.

We hopen dan ook dat de recente incidenten aanleiding geven tot een breder debat over de manier waarop industriële installaties verbonden worden.

Want wie vandaag een machine op afstand wil beheren, zou niet moeten kiezen tussen gebruiksgemak en veiligheid.

De vraag is niet of we industriële machines met elkaar moeten verbinden. De vraag is waarom we ze daarvoor nog altijd onnodig aan het publieke internet blootstellen.


Wat als uw softwareleverancier er morgen niet meer is?

Wat als uw softwareleverancier morgen stopt? Digitale soevereiniteit gaat om controle over uw eigen data, processen en continuïteit. Bij bedrijfskritische software voorkomt goed doordacht maatwerk dat u vastzit in een vendor lock-in. Zorg altijd vooraf voor een exitstrategie.

11 augustus 2026

AI is de Hubo voor de doe-het-zelf-programmeur

AI-tools maken software bouwen makkelijker. Maar sneller bouwen is niet hetzelfde als beter bouwen. Over CRAPPS, lock-in, en waarom het gereedschap krachtiger wordt maar de vakkennis niet verdwijnt.

5 mei 2026

Wie zijn we eigenlijk? Laat onze mensen het zelf vertellen.

Mensen zeggen dat je bij hen moet werken. Wij lieten onze collega's gewoon praten. Geen script, geen corporate antwoorden — wel kakje-emoji-standpunten, een per ongeluk gebroadcastte privémeeting en twee mensen die ons bedrijf vergelijken met een hond én een koala. Samen geven ze het eerlijkste beeld van DMVH dat je ergens zult vinden.

2 april 2026

keyboard_arrow_up